Auteur: Walter Sonderman   

 

Deel 1. De Intrepid onderweg. Let op de twee kleuren van het vliegdek

Net toen de Amerikaanse marine aan het einde van de 30‘er jaren, vlak voor het begin van de Tweede Wereldoorlog de Yorktown-klasse vliegdekschepen in dienst had gesteld, kwam ook het Verdrag van Washington te vervallen, waaronder deze schepen nog waren aanbesteed. Japan had namelijk eenzijdig dit verdrag (en het daarmee samenhangende verdrag van Londen) opgezegd en verliet in 1933 ook de Volkerenbond (de voorloper van de Verenigde Naties).

 

Vrij van de restricties aan tonnage en aantal schepen dat door dit Verdrag was vastgesteld, lieten de Amerikanen de Yorktown-klasse direct opvolgen door de schepen van de Essex-klasse. Deze vertoonden wel overeenkomsten met de beroemde voorgangers (naast de Yorktown zelf ook de Hornet en natuurlijk de Enterprise), maar waren ruim 20 meter langer, 3 meter breder en zeker 1/3 keer zwaarder.

De Amerikaanse marine had uit vlootoefeningen met de grote, uit een slagkruiser-ontwerp doorontwikkelde Lexington-klasse vliegdekschepen prima begrepen dat toekomstige zeeslagen niet door het slagschip, maar door het luchtwapen zouden worden beslist. De Japanse marine had dit zelfs nog beter begrepen en benutten dit voordeel volledig in de eerste zes maanden van de Tweede Wereldoorlog.

Essex- klasse vliegdekschepen.

Langer, breder en zwaarder dan hun voorgangers hadden de Essex-klasse schepen ruimte voor een “airwing” die ruim 100 vliegtuigen kon tellen. Een belangrijke innovatie was de plaatsing van twee liften aan de randen van het dek. Hierdoor was er meer plaats was voor het parkeren van vliegtuigen aan dek (het zogeheten deck-parking) en werden de luchtoperaties niet gehinderd door geparkeerde vliegtuigen. Het concept werd door de Amerikaanse Marine in de Tweede Wereldoorlog geperfectioneerd: het aantal meegevoerde vliegtuigen werd bepaald door wat men aan dek kon brengen. De hangars werden bestemd voor onderhoud en reparatie. Dat kon omdat men volledig vertrouwde op de bescherming van de eigen vliegtuigen en van escorterende schepen. De Engelse Marine had een andere filosofie, waarbij het aantal vliegtuigen afhing van wat er in de hangars kon worden ondergebracht: hun carriers uit Tweede Wereldoorlog waren dan ook voorzien van gepantserde vliegdekken. Het vliegdek van de Essex-klasse was niet gepantserd, de eindbescherming kwam op het slechts 38 mm dikke pantser van het hoofddek (het hangardek) te liggen. Er is voor beide filosofieën wat te zeggen (ze waren immers vanuit een verschillende situatie geboren), maar feit is wel, dat de Amerikaanse carriers tussen de 90 en de 100 vliegtuigen aan boord hadden, terwijl de vergelijkbare Engelse Illustrious-klasse oorspronkelijk slechts 36 vliegtuigen kon meevoeren.  

De plaatsing van machines en zijbepantsering was veel verbeterd ten opzichte van eerdere ontwerpen. Er was ook veel meer luchtdoelgeschut aangebracht. De schepen waren een groot succes: in de Tweede Wereldoorlog ging geen enkel schip van de Essex-klasse verloren. Twee schepen, de USS Franklin (CV-13) en USS Bunker Hill (CV-17), werden door kamikaze-aanvallen zwaar beschadigd, maar konden op eigen kracht de thuisreis maken.

De Franklin na de kamikaze schade

 

De Franklin na de kamikaze schade

Door een verregaande standaardisatie werden opmerkelijk korte bouwtijden gerealiseerd van tussen de 14 maanden en 2 jaar. Aan het eind van de oorlog waren er dan ook liefst zestien in actieve dienst gesteld, terwijl er daarna nog acht volgden. Van acht schepen werd na het einde van de vijandelijkheden de bouw opgeschort. Er was geen enkele marine, die dit bouwtempo kon evenaren. Het kan daarom gerust gezegd worden, dat deze klasse schepen uiteindelijk de oorlog in de Pacific in het voordeel van de Geallieerden besliste.

Gedurende de bouw werden er voortdurend modificaties aangebracht. De aantallen 40mm en 20mm luchtafweerkanons werden drastisch verhoogd, nieuwe en verbeterde radars werden toegevoegd, het originele katapultsysteem op het hangardek (dat bij tests op de Yorktown-klasse goed werkte, maar in de hectiek van oorlogstijd uiteraard niet werd gebruikt) werd verwijderd, het ventilatiesysteem en details van de bescherming werden veranderd. Honderden grote en kleine veranderingen maakten dat geen enkel schip van de serie hetzelfde was als de rest.

Aan het begin van maart 1943 werd één gezichtsbepalende wijziging doorgevoerd aan de schepen die toen in de beginfase van de constructie zaten. De boeg werd voorzien van een zogenaamde clipper-vorm om de twee 40mm vierloops Bofors opstellingen een groter schootsveld te geven. Zo ontstond de zogenaamde “long-hull” versie van de Essex-klasse (ook wel als de aparte Ticonderoga-klasse onderscheiden), hoewel de lengte van de romp op de waterlijn uiteraard niet was veranderd. Dertien schepen werden besteld, waarvan er vier op tijd gevechtsklaar waren in 1944.

USS Intrepid in the Philippine Sea

Naoorlogse modificaties.

De 24 Essex-klassers vormden na de oorlog, samen met de drie veel grotere Midway-klasse vliegdekschepen de ruggengraat van de Amerikaanse marine, die was uitgegroeid tot verreweg de grootste ter wereld.
De introductie van straalvliegtuigen, die groter en zwaarder waren dan de propellervliegtuigen maakte vroeg in de 50’er jaren nog meer herbouw-programma’s noodzakelijk. Het SCB-27-programma (waarbij SCB staat voor Ship Characteristics Board) omvatte:

  • Versterking van het vliegdek
  • Vergrote en versterkte liften
  • De introductie van door stoom aangedreven katapults
  • Zwaardere vangkabels
  • Het verwijderen van de vier dubbele 5-inch/38 geschutstorens vóór en achter het eiland
  • De vervanging van de 40 mm Bofors-kanons door de veel effectievere 3-inch kanons
  • Een compleet herontworpen eiland met een geïntegreerde schoorsteen
  • De zogeheten ready rooms voor de vliegtuigbemanningen, die oorspronkelijk direct onder het vliegdek waren gesitueerd werden beneden het gepantserde hangardek geplaatst. Een grote roltrap aan de stuurboordzijde vervoerde de zwaarbepakte bemanningen naar het vliegdek. Het huis van die roltrap aan de buitenkant is kenmerkend voor de verbouwing
  • De brandstofcapaciteit werd aanzienlijk vergroot.

Al deze modificaties deden de waterverplaatsing van 27.000 ton naar bijna 33.000 ton toenemen, en veel ervan zat in het zogenaamde “topweight”: daarom werd de pantsergordel van de romp verwijderd en werden er “blisters” aangebracht, waardoor de breedte met bijna 3 meter toenam. De schepen lagen ook aanmerkelijk dieper in het water, waardoor de topsnelheid van 33 naar 31 knopen afnam. Het verschil tussen de short-hull en long-hull-schepen verdween, omdat de boeg nu bij alle schepen gelijk was.

De verbouwing, die tot 2 jaar kon duren werd als zeer geslaagd gezien. Een dergelijke verbouwing bij de Midway-klasse was aanmerkelijk minder succesvol: die schepen werden al bij de bouw gekenmerkt door een laag vrijboord (de hoogte vanaf de waterlijn tot het dek), dat door de verbouwing nog meer afnam, waardoor die schepen zelfs in kalme zee al vrij veel water overnamen.

USS Intrepid Korean War

Na het uitgebreide SCB-27 programma aan het begin van de 50‘er jaren volgde later in dat decennium het SCB-125 programma, dat in principe minder uitgebreid was, maar dat wel het uiterlijk van de schepen aanzienlijk deed veranderen. Nu werd namelijk het de door de Britten ontwikkelde hoekdek aangebracht, dat nauwelijks aanpassingen in de structuur behoefde. Tevens werd de boeg voorzien van een gesloten hurricane-boeg. De SCB-125-verbouwing vergde dan ook slechts zes tot negen maanden.

Middels deze verbouwingen konden de schepen nogmaals uitstekende diensten leveren in de Koreaanse en de Vietnamese oorlogen. En nu zijn we dan bij het onderwerp van dit artikel: de USS Intrepid is zo’n schip uit de oorlog in Vietnam.

De Interpid refuelling from USS Nitro

De Intrepid.

Voor werk én vakantie ben ik redelijk wat keren in New York geweest, en een favoriet uitstapje in het weekend was het bezoek aan de USS Intrepid, ofwel het Intrepid Sea, Air & Space Museum.

Deel 1. Intrepid Sea Air Space Museum

Ik koos als hotel vaak voor het Hilton Garden Inn op Times Square, omdat dat zich op West 48th Street bevond, terwijl de Intrepid op 46th Street was. Het hotel was op 8th Avenue, het schip op 12th, en dat betekende dus maar een kwartiertje lopen. Tevens zijn er mindere locaties denkbaar dan Times Square😉. In het museum is veel te zien van de ontwikkeling en de historie van het schip (waar de Concorde ernaast eigenlijk weer niet toe behoort). Er is nog veel van de brug, de crew-restrooms, de hangars en zo behouden gebleven. Grappig is de roltrap onder het eiland om de vliegtuig-bemanning naar het dek te transporteren. Dat is verboden terrein voor het publiek en het is ook niet moeilijk om te zien waarom: in de kieren tussen de trappen past gemakkelijk een voet…
De Intrepid had, zoals alle Essex-klasse carriers, een enerverende tijd in de Tweede Wereldoorlog. Het schip nam deel aan de slag in de Golf van Leyte (algemeen gezien als de grootste zeeslag aller tijden), waarbij de Japanse vloot eigenlijk definitief werd uitgeschakeld. Vlak na de oorlog werd het schip uit dienst gesteld, maar begin 1952 weer als aanvals-vliegdekschip (CVA) in dienst gesteld om de hierboven beschreven SCB-27 modernisering te ondergaan. In 1957 volgde de SCB-125 verbouwing, waarbij het schip het kenmerkende hoekdek kreeg. In 1961 werd het schip geclassificeerd als CVS-11, een vliegdekschip voor de onderzeebootbestrijding. In die hoedanigheid werden de jacht- en aanvalsvliegtuigen vervangen door vliegtuigen toegerust voor onderzeebootbestrijding, zoals de Grumman S-2 Tracker. Het schip kreeg ook een belangrijke rol toebedeeld in het Amerikaanse ruimtevaartprogramma: in 1962 werden de Amerikaanse astronaut Scott Carpenter en zijn Mercury-capsule, de Aurora-7, door helikopters van de Intrepid uit zee opgevist. In 1965 werd hetzelfde gedaan met de Gemini 3, waarbij de astronauten John Young en Gus Grissom samen met hun capsule werden opgepikt (zie twee foto's hieronder genomen tijdens dat moment) .

Gemini 3 IntrepidGemini 3 Intrepid Recovery

Een Mercury- en een Gemini-capsule zijn dan ook onderdeel van de tentoonstelling in het museum. Later in 1965 werd het schip gereedgemaakt voor participatie aan de oorlog in Vietnam, waarbij het als hulp- aanvalsvliegdekschip werd geclassificeerd (vandaar de aanduiding CVS-11). De aanvals- en jachtvliegtuigen werden “geleend” uit die van andere vliegdekschepen zoals de Oriskany. Daarover straks meer, want het hier gebouwde model heeft betrekking op die periode. Na drie cruises tussen 1966 en 1968 voor de kust van Vietnam werd het schip weer gebruikt als vliegdekschip voor de onderzeebootbestrijding en werd het uiteindelijk in 1974 uit dienst gesteld. In 1982 begon het schip haar carriére als museum, waarin het nu nog uitblinkt en waar ik menig genoeglijk uurtje heb doorgebracht.

De Kit.

 

Gallery, een merk van Model Rectifier Corporation (MRC) bracht eind 2014 de kit van de Intrepid uit. Revell had -en heeft nog steeds- een Angle-deck Essex class carrier in de catalogus staan, een “evergreen” van het van oorsprong Amerikaanse merk. Ook ik heb als kind en jongvolwassene (zo heet dat hé) die befaamde 1/542 kit gebouwd: in Essex-vorm, maar ook als Yorktown, Wasp, Lexington, Hornet en Oriskany. Daarom stond een model in onze schaal 1/350 van een moderne, met hoekdek uitgeruste versie van een Essex-klasse carrier hoog op de verlanglijstjes. Trumpeter bracht zeker een jaar of twintig geleden diverse uitstekende kits van Essex-klassers uit, helaas alleen in versies van tijdens de Tweede Wereldoorlog. Alleen met veel ombouwwerk kon hiervan een moderne versie gebouwd worden: op de Small Scale Convention 2014 in Heiden sprak ik Frank Ilse en Torben Keitel van de German Gamblers, die eraan waren begonnen. Met het bericht dat MRC, dat eerder uitstekende kits van de LHD-1 Wasp en de LPD-21 New York had uitgebracht, werd een droom van veel scheepsmodelbouwers werkelijkheid. Deze werden niet teleurgesteld, ook ik niet: de kit van Gallery bleek simpel te bouwen en bevatte veel foto-ets detail voor de railing en voor de diverse antennes op het eiland. Dat er bij de ontwikkeling van de kit was samengewerkt met modelbouwers was goed te merken. Toch waren er ook punten van kritiek. Zo waren er maar 18 vliegtuigen aanwezig, én de decals voor deze vliegtuigen waren erg algemeen en bevatten een merkwaardige mix van alle squadrons die ooit aan boord waren geweest.
Een ander punt van kritiek was de lengte van de romp. Als ik de romp naast die van een Trumpeter-kit legde bleek er een redelijk verschil in te zitten, iets wat ook Martin Quinn van Modelwarships was opgevallen. Op het forum van Modelwarships heb ik meegedaan aan een discussie: veel mensen leveren net zoveel meningen op, maar het begrip “lengte aan de waterlijn”, wat je daarin nogal eens een rol ziet spelen, is een non-begrip. Latere Essex-klassers hadden een standaard-waterverplaatsing van bijna 40.000 ton tegen 30.000 ton in de Tweede Wereldoorlog en lagen dus dieper in het water. Maarten Schönfeld bemachtigde werftekeningen, en uit berekeningen waarbij gebruik gemaakt werd de lengte tussen de spanten met als referentiepunten boeg en een punt bij het roer bleek de lengte binnen één of twee millimeter te kloppen: juist de lengte van de Trumpeter kit is eigenlijk te groot. Hoe het ook zij, de kit lijkt op een Intrepid en ís dus een Intrepid😉.

Er wordt nog steeds gespeculeerd, dat Gallery zelf of Revell (die dat ook voor de Wasp en de New York hadden gedaan) een andere versie van de kit zouden uitbrengen, maar dat is tot op heden nog niet gebeurd. Uit de kit kunnen overigens dan alleen de Hancock en de Ticonderoga worden gebouwd: voor de andere schepen is namelijk een verplaatsing van de stuurboordlift naar een locatie dichterbij het eiland nodig, en dat is geen eenvoudige verbouwing. Tevens is de vorm van de boeg bij sommige schepen anders. Van Torben Keitel van SSN Modellbau begreep ik tijdens ons verblijf op de EME dit jaar in Lingen, dat hij met decals voor de ”Hannah” en de ”Tico” bezig is. De Intrepid en de twee andere schepen verschillen wel op een aantal details van elkaar: eigenlijk is geen van de Essex-klassers precies gelijk aan een ander schip uit de serie.
Overigens bleek tijdens het onderzoek naar de verschillende varianten dat Revell het destijds met hun 1/542 kit prima heeft gedaan, en dat voor een kit van 50 jaar geleden!

Vliegdekschepen laten zich goed in een aantal grote subprojecten bouwen: de romp en hangardek, het vliegdek, het eiland en de masten, en als laatste de vliegtuigen (de airwing) en tractors.

Romp, Hangardek en liften.

De romp van de Intrepid bestaat uit een tamelijk massief, perfect uit één stuk gegoten plastic. Merit/Trumpeter/Gallery, er zijn altijd wat twijfels bij het vooronderzoek van deze fabrikant, maar qua gietwerk evenaren ze momenteel Dragon. Geen gietdeuken, geen flash, geen vervorming, maar wel voorzien van veel detail als deuren en roosters voor de airconditioning.
Die massieve romp betekent dus dat, als je haar als waterlijn-model zou willen bouwen, de zaag (en een stevige zaag bovendien) erin gezet moet worden. Die waterlijn is niet aangegeven, wat het afzagen weer lastiger maakt. Ik mat de waterlijn aan de hand van foto’s zo goed mogelijk uit, zette een zwarte stift vast op een blokje hout van dezelfde hoogte als de waterlijn en trok het blokje simpel om de romp heen.
Het hangardek is ook uit één stuk en paste als een handschoen. Zowel folder als doos roepen heldhaftig “fully detailed hangardeck!”, maar het is dan ook alleen dat: een hangardek met tie-down rings, geen verder detail.
Bij het model is goed te zien dat het ongepantserde vliegdek eigenlijk rust op een relatief lichte constructie boven op de eigenlijke romp. Die constructie bestaat uit slechts drie onderdelen, waaronder de lange zijkanten. Wederom, perfect gegoten en perfect passend. Ik besloot met wat Evergreen-sheet het zgn. Conflag-station (het centrum voor brandbestrijding in de hangar) aan te brengen, alsmede het schuine gedeelte onder het eiland (dat bevat de uptakes naar de schoorsteen) en de zijkanten van de hangar wat meer detail te geven.

Deel 1. Detailwerk in de hangar

Aangezien ik niet van plan was verlichting aan te brengen, kon het detail redelijk beperkt blijven tot wat staanders en wat platforms, waarvoor ook Evergreen werd gebruikt.

De romp bouwde erg snel op, met alle platforms en catwalks, alle kleinere details voor de liften, de behuizing van de roltrap onder het eiland en met het prominente platform voor het luchtdoelgeschut aan de achterkant. Een plezierige bouw, ik was bezig aan een goede kit, een érg goede kit zelfs: bij het ontwerp van de kit is goed nagedacht aan de bouwbaarheid, daar waar Dragon bij het woord “detail” zich wel eens verliest in onmogelijk kleine onderdeeltjes.

Ik voorzag zoveel mogelijk platforms (zeker die onder het hoekdek, later kan je er niet meer bij) van railing. Bij het losknippen van de door Gallery meegeleverde foto-ets railing boog het gelijk omhoog, wat het plaatsen lastig maakte. Daarom gebruikte ik maar mijn favoriete railingset 350-12 Modern USN Warship van Gold Medal Models, waarvan ik altijd veel sets in voorraad van heb.

Deel 1

De rompopbouw ging volgens de bouwtekening en zonder problemen, en binnen no-time kon ik me op het spuiten concentreren. Ik spoot eerst het hangardek in donkergrijs (Tamiya TS-48), de dekken van de platformen in Xtracolor FS16118, Gunship Gray. Daarna plakte ik die dekken af met Tamiya-tape, proberend de reeds aangebrachte railing niet te verbuigen. Daarna spoot ik op mijn gemak de romp in Tamiya Dark Ghost Gray (AS-25).

Deel 1 2. En na het spuiten

 

Deel 1 2. En na het spuiten

De romp vertoont een groot aantal roosters, waarvoor ik een zwarte wash heb gebruikt. Onder de waterlijn heb ik Humbrol Gloss Red (19) gebruikt, op de waterlijn Humbrol Gloss Black (21) om de decals voor de onderwater-markeringen betere hechting te geven. Die decals zijn een punt van kritiek: die onderwater-markeringen ontbreken namelijk, net zoals de naamdecals voor de achterplecht. Die laatste haalde ik uit een set van mijn maat Jos Visser, de markeringen kwamen uit een Gold Medal decalset, 350-1D (Naval Ship decals), waar ik ook tientallen sets van in voorraad heb.  

Het geheel werd gespoten met Testors Dullcote. De hangarwanden zijn gewoon Tamiya Matt White (TS27).
De volgende stap waren de twee hoekliften: een aan de stuurboordzijde en een aan bakboord aan het einde van het schuin geplaatste vliegdek. Deze hoekliften waren licht geconstrueerd en voorzien van een netwerk van draagbuizen. Die zijn in de kit prachtig weergegeven met foto-ets, wat deze kit toch plaatst in de klasse van de niet-beginners. Het netwerk van de lift aan de stuurboordzijde moet gevouwen worden, iets wat met een speciaal vouwtool uitstekend lukte.

Deel 1 2. Foto ets onder de liften

 

Deel 1 2. Foto ets onder de liften

Ook de netten aan de rand zijn van foto-ets. Ik besloot ook de liften apart te spuiten: eerst de donkere dekkleur, daarna afplakken en de rest in de rompkleur. De belijning kwam in de volgende stap, bij het vliegdek.

Vliegdek en catwalks.

Ook het vliegdek is wederom foutloos gegoten in één stuk. Ik had al besloten het dek vóór montage op de romp volledig te spuiten, dat is namelijk veel gemakkelijker omdat je dan de romp niet helemaal hoeft af te plakken. Na een paar keer droogpassen klikte het dek goed vast op de rompopbouw, zó goed dat ik het pas met wat moeite er weer af kon halen. Ik had nog steeds veel plezier in de bouw!
Ik spoot het dek in Tamiya Gunship Gray (TS-48) en plakte toen het resterende gedeelte hout af, dat in Tamiya Dark Ghost Gray (AS-25) werd gespoten. Die twee verschillende kleuren voor het vliegdek was een typisch kenmerk van de Intrepid. Later werd het houten gedeelte van het dek met lichte staalplaten bedekt en geheel donkergrijs gespoten. Nu kon ik met de belijning beginnen. De belijning is als decal in de kit toegevoegd, maar ik ben niet gek op dit soort lange decals: ik besloot het grootste gedeelte van de belijning en ook het deknummer (niets gemakkelijker dan een “11”) op het vliegdek zorgvuldig af te plakken en wit en geel te spuiten. Alleen voor de rood-witte “foul lines” en de lijnen voor de liftranden gebruikte ik de kit-decals. Toen bleek, dat ik een goede keuze had gemaakt: de decals braken in stukken, gelukkig kon ik alles herstellen en aanbrengen.

Catwalks zijn looppaden langs en onder het vliegdek. Die moeten separaat worden aangebracht, dus besloot ik die apart van railing te voorzien en apart te spuiten en pas later, toen ik het dek op de romp had bevestigd, te monteren. Zo voorkom je beschadigingen. Ik verving zoveel mogelijk de gegoten trapjes (die worden “Aztec-stairs” genoemd vanwege duidelijke gelijkenis met trap-piramides) door foto-ets trapjes, die er veel realistischer uitzien.

Deel 2. Een catwalk met railing

Tevens bracht ik diverse platforms en foto-ets steunen onder het dek aan. Omdat ik het tape voor de onderkant van de romp nog niet had verwijderd, konden deze gemakkelijk op dat moment worden gespoten. Ik keerde het schip daarvoor gewoon om op het dek. Het bestuderen van de bouwtekening en het goed plannen van een bouw is belangrijk!

Deel 2. Romp en dek klaar

Erg opvallend aan de dekrand zijn de zogenaamde “floater baskets”, aluminium manden waarin de reddingsvlotten zijn ondergebracht. Die zaten niet in de foto-ets set, maar via Tom’s Modelworks werden een aantal sets aangeschaft. Het vouwen is ook weer zo’n lopende-band werkje. De reddingsvlotten zijn gemaakt van wat papier, dat diverse malen gevouwen is. Ik nam daarbij de inmiddels uitgekomen én peperdure (€150,-) set van Tetra Model Works (set SE35006) als voorbeeld. Ik heb wel nagedacht om deze set te bestellen, maar ik was inmiddels al zóver in de bouw, dat ik toch de helft niet zou gebruiken.

Deel 2

Eiland en masten.

Het eiland op een vliegdekschip is een tamelijk dominerend bouwwerk, het trekt altijd aandacht, zeker als het voorzien is van behoorlijk detail. Het eiland van de Intrepid met de typerende grote schoorsteen en de bemanningslift aan stuurboord is daarop geen uitzondering. Ook het eiland bouwde in principe eenvoudig op, maar de bouw nam wel net zoveel tijd in beslag als de romp!

Deel 2. Het eiland in aanbouw

Vreemd genoeg is de beglazing van de twee brugverdiepingen gewoon meegegoten plastic, daar waar men bij de opvolgende kit van de USS Kennedy doorzichtig plastic heeft gebruikt en ik bij de USS Eisenhower de open raampjes vanuit de binnenkant met behulp van Microscale Kristal Kleer van “glas” moest voorzien.

Het eiland werd volgens de bouwtekening in elkaar gezet, het geheel paste wederom prima. Ik ontdekte dat er een platform aan de stuurboordkant ontbrak, dus een beetje scratchen was noodzakelijk, maar verder waren alle platforms, antennes, schijnwerpers op de brug, steunen voor platforms en platforms aanwezig. De geperforeerde loopdekken onder de brugramen en langs de schoorsteen waren in prima foto-ets, alsmede het windscherm op de open brug, waarvan ik met Kristal Kleer de beglazing aanbracht, uiteraard na het spuiten. Ik verving wel de foto-ets antennes door stalen exemplaren. Tevens werden uiteraard foto-ets railing en trapjes aangebracht.

De masten zijn tamelijk ingewikkelde metalen structuren, die in de kit grotendeels van foto-ets zijn vervaardigd. Ook hiervoor geldt: niet echt voor beginners. Ook schiet de bouwtekening hier een beetje te kort: pas na bestudering van foto’s kon ik uitvinden hoe de steun voor de radarmast aan stuurboord gevouwen moest worden. Het vouwen zelf bleek daarop een eitje.
Deel 2. Het eiland met decals

De hoofdmast is dan wel van plastic, maar met veel foto-ets voor de radars en de steunen. Ik besloot nog meer detail in foto-ets aan te brengen, zoals de railing op de ra’s. Ook hier nam ik de set van Tetra Model Works als voorbeeld. Met wat scratchwerk in foto-ets waarbij de set 350-12 Modern USN Warship van Gold Medal Models al het materiaal leverde bereikte ik eigenlijk hetzelfde resultaat. Nogmaals, ik heb niets voor niets altijd veel sets daarvan in voorraad!

DSC02302

Het eiland werd geheel in Dark Ghost Gray gespoten, waarna het detail-verfwerk kon worden begonnen, zoals de ramen van de brug, de schoorsteen, de schijnwerpers en de zwarte voorkant van de brug. Voor het eiland zijn geen decals in de kit voorzien, een behoorlijke omissie. Het “beware of jet blast, intakes and props” aan de bakboordzijde en het “Fighting I” logo aan de voorkant van het eiland zijn namelijk zeer kenmerkend en kunnen onmogelijk over het hoofd worden gezien.

Deel 2. Het Fighting I logo

Maarten Schönfeld bracht redding door de decals te ontwerpen en te printen. Ik liet maar gelijk twee sets afdrukken. Voor de zogenaamde ribbons (de onderscheidingen die het schip gedurende de carrière heeft ontvangen) kon ik putten uit mijn reservevoorraad.

Deel 2. Het Fighting I logo

Ook ontbraken de zogenaamde UNREP-markeringen. UNREP is de afkorting voor Underway Replenishment, de bevoorrading onderweg: het zijn markeringen die aangeven wáár een bevoorradend schip de lijnen voor het bevoorraden naar kan toeschieten. Gek genoeg zijn daar geen decals voor in de handel, tot nu toe dan, want ook hier bracht SSN Modellbau uitkomst.

Deel 2. De UNREP markeringenMet het ontbreken van de decals is één van de grootste omissies van de kit genoemd, een omissie die verder ging dan de brug, zoals we hierna zullen zien.

Vliegtuigen en tractors.

De raison d’être van een vliegdekschip zijn uiteraard de vliegtuigen, het schip toont leeg zonder deze hardware. Daarom begrijp ik niet echt, dat bij de kit slechts 18 (overigens goed uitziende) vliegtuigen zijn bijgeleverd: vier Vought F-8 Crusaders, vier Douglas A-4 Skyhawks, vier Douglas A-1 Skyraiders, twee Grumman E-1B Tracers en vier Kaman UH-2 Seasprite helikopters. Foto’s van Amerikaanse vliegdekschepen onderweg tonen vrijwel altijd dekken vol met vliegtuigen: het concept van deck parking dat ik eerder besprak is hier uitgebreid te zien. Ik besloot dus maar tien extra F-8’s, tien A-4’s en vijf A-1’s van L’Arsenal aan te schaffen. De gietkwaliteit van de kitjes van kunsthars vielen me een klein beetje tegen, maar met zorgvuldig schilderwerk en goede decals kon er wel wat van gemaakt worden.

Deel 2. Een Skyhawk volledig afgebouwd

Deel 2. Een Skyhawk volledig afgebouwd

Ik wierp een lijntje uit naar Mark Tutton van Starfighter om na te vragen of er decal-sets in de maak waren om de karige en bovendien incorrecte kit-decals te vervangen. Die waren er, maar zouden wat tijd vergen. Die tijd overbrugde ik met het bouwen en spuiten/verven van de vliegtuigjes, dat net zoveel of zelfs meer tijd in beslag nam als het bouwen van het schip zelf.

Na overleg met Mark en wat onderzoek besloot ik dat ik Carrier Air Wing Ten (CVW-10) op de Intrepid zou plaatsen, ten tijde van de tweede Vietnam Cruise van 11 mei 1967 tot 30 december 1967. De airwing van de Intrepid was een mix van airwings van andere carriers, met name die van de Oriskany. De Intrepid, oorspronkelijk een anti-onderzeebootcarrier, was namelijk als auxiliary attack carrier in dienst gesteld, een tijdelijke aanvals-carrier. Zó groot was het aandeel van de Amerikaanse marine in de Vietnamese luchtoorlog, dat men carriers te kort kwam. Als zodanig had de Intrepid dus geen eigen airwing.

Een mooi voorbeeld vormde gevechts-squadron VF-111. Aan boord van de Oriskany werd dit squadron aangeduid als “Omars”, een detachement aan boord van de Intrepid werd aangeduid met VF-111 Det 11 en “Omar’s Orphans” genoemd en vloog met de F-8C Crusader. De aanduiding “Det-11” werd ook gebruikt bij de RF-8G Crusaders van VFP-63, de E-1B Tracers van VAW-121 en de UH-2B Seasprites van HC-2.     

Ik besloot om ook een Douglas KA-3B Skywarrior van Trumpeter op het schip te plaatsen, zodat ik 44 vliegtuigjes moest bouwen. Die KA-3B vormde geen vast onderdeel van de airwing, maar was tijdelijk overgevlogen van de Oriskany. Voor luchtaanvallen werden de kisten volledig zwaarbewapend, maar werden niet volledig getankt om de katapults te ontzien. Vlak na het afvliegen werden ze onderweg in de lucht afgetankt door de KA-3B.   

De op de doos vermelde Douglas EA-1F Skyraider bleek de gewone éénpersoons A-1J: voor een vierpersoons EA-1F moest ik er dus twee verbouwen. Tevens werden twee Crusaders verbouwd tot de RF-8G fotoverkenner-versie met een iets dikkere romp voor de foto-camera’s. De A-4C Skyhawks liet ik zo, maar voorzag ze wel van buizen voor bijtanken, gemaakt van 0.3mm messing staaf. Tijdens de EME in Lingen van 2017 kocht ik van SSN Modellbau wat doosjes met prachtige gedraaide metalen droptanks (voor kenners: de zogenaamde Aero-1D 300 gallon tank). Deze tanks waren op veel verschillende Amerikaanse toestellen te vinden, zoals op de Skyhawks en de Skyraiders. Het met superlijm aanbrengen van die metalen tanks op vleugelpylons van 0.1 mm is een goede oefening in geduld.

De UH-2 Seasprites zijn voortreffelijk en toont correct de éénmotorige UH-2B versie, die als plane-guard dienstdeed. Die week behoorlijk af van de latere SH-2G, die voorzien was van twee motoren en een anti-onderzeeboot-helikopter was. De instructies van Gallery vertellen dat je de helikopters blauw moet spuiten: dat is dus ook niet correct, de juiste kleur is FS16081 Engine Gray.

De Grumman E-1B’s (de Tracer) zagen er ook prima uit, maar Maarten Schönfeld wilde er een lenen om er een S-2 Tracker in kunsthars van te maken voor zijn Karel Doorman. Maarten, nauwkeurig als hij is, merkte op dat de vorm van de schotelantenne te puntig was, de staartvlakken te groot en besloot naast de Trackers ook een verbeterde Tracer in kunsthars te gieten. Ik schafte maar gelijk een extra exemplaar aan zodat ik tot 45 vliegtuigen kwam.

Deel 2. Een Tracer een 3D geprinte tractor en bemanning

Voor de airwing heb ik gekozen voor twee decalsets van Starfighter: set 350-II-01 bevat Carrier Air Wing 10, maar ik kocht ook set 350-34-100, dat Carrier Air Wing 16 van de Oriskany bevat. Die laatste set bevatte namelijk meer F-8 Crusaders van VF-111, meer UH-2B’s en bovendien de KA-3B.

De Starfigher-decals hebben een doorlopende film: ze moeten dus zeer precies worden uitgesneden. Ze zijn echter erg dun en laten snel los van het papier, oppervlaktespanning van een druppel water krijgt een iets andere dimensie, maar met geduld opbrengen levert werkelijk fantastische resultaten op.

45 vliegtuigjes in elkaar zetten en verven is tamelijk geestdodend werk: ze bestaan gemiddeld uit 12 á 15 onderdelen en er moeten er gemiddeld ongeveer 12 decals op. Dan noem ik nog niet de eerder vermelde droptanks. Ik bouw er meestal een stuk of 6 tegelijk, waar ik ongeveer drie weken over doe. Goede raad: bouw ook iets anders gedurende die tijd…. na een paar weken kun je geen 1/350 vliegtuigjes meer zien. Ik bouw graag dan eenvoudige kits, zoals onderzeeboten.

Deel 2. Skyhawks en een 3D geprinte tractor

Een andere grote omissie was het totaal ontbreken van enige tractors en heftrucks, zoals de grote Tilly-vliegtuigkraan. Net zoals vliegtuigen vormt de yellow gear, zoals het wordt genoemd, een niet te missen onderdeel op de dekken van vliegkampschepen. Inmiddels was 3-D printing tot wasdom gekomen, dus bestelde ik via Shapeways drie jaar geleden een set tractors. De Tilly kwam van de USS Enterprise, waarop een nieuwer type Tilly werd geplaatst. In eerste instantie had ik die Tilly ongewijzigd op de Intrepid gezet, maar ik ergerde me na verloop van tijd steeds meer aan het kraangedeelte, dat uit plastic was gegoten. Let wel, dit onderdeel kwam van een bijna 30 jaar oude kit. Op de EME in 2018 kocht ik een foto-ets set voor een 1/400 King George V-slagschip (van Tom’s Modelworks, voor de oude Heller-kit). Daarin zaten namelijk onderdelen voor de vliegtuigkranen, die ik met wat zorgvuldig meten en knipwerk geschikt kon maken voor de Tilly, die daarmee weer zijn plaatsje achter het eiland kon innemen.

Deel 2. De Tilly met foto ets kraan

De eerder bestelde tractors vond ik wat grof geprint en niet erg gedetailleerd, maar op Shapeways vond ik vlak voordat ik wilde afbouwen een andere set tractors, specifiek voor de Intrepid. Naast de tractors bevatte deze set ook brandweertrucks én een Tilly, zonder kraangedeelte. Die kan mooi van pas komen in een later project. De tractors (de Hough MD-3) zagen er prima uit, met veel detail bij de wielen, de uitlaat etc. 3-D printen ontwikkelt zich zeer snel en zou wel eens volledig kunsthars (resin) kunnen vervangen. Één van de tractors werd een blusvoertuig, de rest spoot ik Orange Yellow met grijze loopvlakken en wat nummers uit de decal-voorraad. SSN Modellbau leverde me een foto-ets set voor de veel gebruikte kleine vorkheftrucks. Het bouwen hiervan is ook weer zo’n geduldwerkje…

DSC02341
         

Afbouw.

Gedurende de bouw van de vliegtuigjes plaatste ik ze met houtlijm aan het dek. Het plaatsen van de 45 kisten werd gedaan naar aanleiding van diverse foto’s van de Intrepid en andere Essex-klasse carriers. Ik besloot een rustige scene in beeld te brengen, als het schip op weg is naar haar positie op Yankee Station. Yankee Station was een punt in de Golf van Tonkin voor de kust van Vietnam, dat door de vliegkampschepen van U.S. Navy werd gebruikt om luchtaanvallen af te vliegen. Als je het wilt opzoeken, het is ongeveer 190 kilometer oostelijk van Đồng Hới, 17° 30’ Noorderbreedte en 108° 30' Oosterlengte.

In deze scene staan bijna alle vliegtuigen aan dek, zeer waarschijnlijk om de hangars schoon te maken, en is het schip net bevoorraad. De tractors zijn bijna klaar met het parkeren van de vliegtuigen. Aan de stuurboordzijde zijn op het hoofddek bemanningsleden bezig de voorraad te verzamelen en met de vorkheftrucks de hangars binnen te rijden.

DSC02295

 

DSC02295

Nadat alle vliegtuigen en voertuigen hun plek hebben gevonden, is de laatste klus het aanbrengen van de bemanning. Hiervoor heb ik de Eduard foto-ets sets 17-503 en 17-515 gebruikt, Aircraft Carrier Figures, 320 mannetjes in totaal. 17-515 is in 3D uitgevoerd, wat zoveel wil zeggen, dat elk mannetje uit 2 delen bestaat, die met een lijmlaagje op elkaar moeten worden geplakt. Yeah, right, echt 3D is het natuurlijk niet, maar het grote voordeel van deze Eduard-sets is dat ze al zijn geverfd in de juiste kleuren. Zelfs nummers voor de plane-captains zijn aangebracht.

Door de figuren in verschillende houdingen te plaatsen en ook echt wat te doen te geven (elke man op een vliegdek heeft een specifieke taak) wordt hun platte karakter minder benadrukt en creëer je wat leven op een schip. Achterop het vliegdek zijn een paar mannen verzameld, waarschijnlijk om een rokertje te doen. We praten over 1967…

DSC02241

Conclusie.

Met de Gallery-kit kan uit de doos een groot en indrukwekkend model worden gebouwd, met een zeer bruikbare foto-ets set. Al eerder in dit artikel heb ik de bouwbaarheid geprezen, er is duidelijk heel goed nagedacht bij het ontwerp van de kit en er is input van modelbouwers gebruikt. De detaillering is van een hoog niveau.

De minpunten zijn voor de modelbouwer die een milde vorm van AMS heeft (Advanced Modellers Syndrome) wel bepalend voor het bouwen van een werkelijkheidsgetrouw model. Puntsgewijs:

  • Slechts 18 vliegtuigen, en niet alle types aanwezig
  • De decals voor deze vliegtuigen zeer algemeen en een merkwaardige mix van squadrons die ooit aan boord waren geweest
  • Geen decals voor het eiland
  • Geen dekvoertuigen
  • Geen floater-baskets.

Een bouwbare kit is met ruim 1.000 onderdelen ook weer geen weekendproject of een project voor onervaren bouwers.
Ik heb het in dit artikel gehad over de foto-ets set van Tetra Model Works (set SE35006), die het probleem van de floater-baskets adresseert. Een schitterende en zeer complete set, maar wel peperduur: €150,-. Voeg daarbij dat ik via l’Arsenal zo’n 30 vliegtuigen en via Starfighter twee decalsets moest toevoegen (bij elkaar ook weer €90,-, en dan heb ik het niet over de ontbrekende decals voor het eiland) krijg ik toch het idee, dat Gallery nog meer van de reeds uitstekende kit had kunnen maken. Zullen ze zich herstellen met een Ticonderoga of een Hancock?

Referenties:

Essex-class Carriers, Warship design histories, Alan Raven, ISBN 9780870210211

On Deck USS Lexington (CV-16), ISBN 089747449X

Wikipedia: https://en.wikipedia.org/wiki/Essex-class_aircraft_carrier
Wikipedia: https://en.wikipedia.org/wiki/USS_Intrepid_(CV-11)

http://www.navsource.org/

Met dank aan Maarten Schönfeld voor het helpen bij het onderzoek en het vervaardigen van de decals en vliegtuigen, en aan Jos Visser voor het maken van de foto’s.

DSC02233

DSC02233

 

DSC02233

DSC02233

DSC02233

DSC02233

DSC02233

 

DSC02233

 DSC02233

 

DSC02233

 

 DSC02233

 

    dit artikel werd op de IPMS.NL website gepubliceerd 30 september 2019